Reeds in juni 1939 was ik onder de wapenen geroepen tot deelname
aan een zesdaagsche kaderoefening in Gelderland onder leiding van
den Generaal-majoor der Artillerie Jhr. J. T. Alting van Geusau,
C. I L.K.
Daarna werd mij medio juli voor een tijdvak van zes weken het bevel
opgedragen over 22 R.l. te Ede, welks commandant tijdelijk elders
was gedetacheerd. Nog vóórdat deze 6 weken verstreken
waren, werd op 24 Augustus 1939 de Voorloopige Waarschuwing voor
een Algemeene Mobilisatie het Waarschuwingstelegram A. ontvangen.
Kort daarop ging telegram B. uit. Na ontvangst van dit telegram
begaf ik mij naar Bennekom. Aldaar zou 46 R.l. door mij worden gemobiliseerd,
het regiment, waarmede ik in de komende maanden zooveel lief en
leed zou deelen.
De mobilisatie te Bennekom verliep voorspoedig en toen ik op 31
Augustus 1939 ten 4.00 het Concentratietelegram luidende: "Concentratie
Blauw O.L.Z." had ontvangen, gaf ik onmiddellijk de vereischte
bevelen uit. De kwartiermakers vertrokken nog dien zelfden dag.
Het regiment marcheerde den volgenden morgen ingevolge de mij verstrekte
orders naar het nieuwe legeringsgebied Kesteren Opheusden en lngen
in de Betuwe.
Mijn regiment bleek te behooren tot de Brigade A., aan welke grootere
eenheid was opgedragen de Betuwestelling te bezetten en hardnekkig
te verdedigen. Deze Betuwestelling strekte zich uit van Ochten aan
de Waal tot en met "de Spees aan den Rijn. "De Spees"
is een oude boerderij tegenover de Grebbe gelegen.
|
De Brigade C. verdeelde zijn Brigadevak
in twee ongeveer even breede regimentsvakken en gelastte o.m. dat
elk der belde vóór regimenten één bataljon
aan de Brigadereserve moesten afstaan. Mijn regiment werd linker vóórregiment
en naar rechts was ik aangeleund aan 44 R.I., terwijl links van mij
aan de overzijde van den Rijn op en om den Grebbeberg 8 R.l. (behoorende
tot de IV Div. 41 L.K.) gelegerd was. De Rijn behoorde tot 8 R.1.
De beide bataljons van de Brigadereserve van Brig. A. waren resp.
te Echteld en te Ingen ondergebracht.
Tot de Brig. A. behoorde o.m. 22 R.A., bij de Mobilisatie opgericht
en van zwakke samenstelling. Het regiment telde aanvankelijk twee
Afdeelingen van 7 veld, elke Afd. slechts twee batterijen sterk. In
Maart 1940 kwamen ook de ontbrekende 3e batterijen ter beschikking.
Echter de IIIe Afdeeling, die belast had dienen te worden met "Algemeene
opdrachten" is nimmer gevormd. Tot deze Algemeene opdrachten
behoorde o.m. het bestrijden van de vijandelijke artillerie. Deze
taak werd nu in de oorlogsdagen opgedragen aan een Afd. zeer verouderd
geschut, afkomstig uit de Vg. Holland.
Luchtdoelgeschut was in het vak van Brig. A. niet aanwezig. Wèl
was een batterij opgesteld in het linker nevenvak, westelijk van den
Grebbeberg, die in de oorlogsdagen prachtig werk heeft verricht.
Na een eerste bespreking met den Brig.C. kregen de R.Cn. het bevel
tot het verkennen van de Stelling. Er bleek niets voorbereid. Materialen
en gereedschappen waren zooals in 1914 in Noord Brabant wèl
het geval was niet opgeslagen, noch in de buurt voorradig. Omtrent
de inundatie was niets bekend; de gegevens waren sedert jaren niet
meer bijgehouden. |
Dwars door de Betuwe loopt
in een rechte lijn van Ochten in N.O. richting naar "De Spees"
de zoogenaamde Liniedijk, ter lengte van ca. 4 K.M. De breede dijk
aan de oostelijke zijde beschermd door een ca. 15 Meter breede gracht
behoorde ten tijde van Prins Maurits tot een belangrijk stelsel van
verdedigingswerken in deze streken. En aangezien het Bureau Stellingbouw
reeds eenige moderne kazematten en gietstalen koepels in deze dijk
had ontworpen, resp. in aanbouw had, scheen het welhaast geen vraag
meer of deze lange en rechte dijk, dwars door het polderland, zou
de toekomstige frontlijn moeten worden! Een frontlijn, welke ik in
een modernen oorlog uit den booze achtte. Maar een Besluit moest worden
genomen. Mijn regiment moest aan het werk, de voorloopige Verdedigingsbevelen
moesten worden uitgegeven. Een aanval uit het oosten kon immers elken
dag losbarsten. En in November 1939 is het dan ook bijna zoo ver geweest.
Dus werd de Linie frontlijn.
Ik deelde mijn regimentsvak in in twee bataljonsvakken, rechts: een
breeder vak (Vak Spoorbaan) achter de te verwachten inundatie; links:
een smaller vak (Vak "De Spees") ca. 1000 M. breed en evenwijdig
loopend met den Rijn en den Zuidrand van den Grebbeberg. Behalve dus
de frontlijn werden nog meerdere lijnen in het terrein met de ondercommandanten
vastgesteld als de stoplijn, een grendellijn, een lijn voor de tusschenverdediging
en de voorposten weerstandslijn. Een uiteenzetting van de beteekenis
van al deze lijnen zou mij te ver en tot technische details voeren,
dus laat ik het hierbij. Al deze gegevens werden in mijn Verdedigingsbevel
vastgelegd, een bevel dat uitgroeit tot een lijvig geheel. Het bevat
de gegevens omtrent de sterkte van de bezettingen in de twee Vakken
van de Hoofdweerstandsstrook, dus ook van de toe te voegen zware mitrailleurs,
mortieren, 6 veld- en pantserafweerkanonnen; de sterkte en opstelling
van de regimentsreserve; de sterkte en de wijze van bezetting van
de voorpostenstrook.
|
Voorts bevat dit bevel aanwijzingen omtrent vechtwagen bestrijding,
wederzijdsche vuursteun der Infanteriewapenen, ook met de nevenregimenten,
waaruit dan weer de vuurplannen kunnen worden opgebouwd. Ten slotte
vindt men in dit bevel aanwijzingen voor de telefonische en optische
verbindingen, de geneeskundige verzorging, munitieaanvulling enz,
Een voornaam punt is ook het uitleven van de bevelen voor de versterking
van het terrein, graafwerk, bouw van mitrailleurnesten, schuilplaatsen,
commandoposten, hindernissen, schijnstellingen, camouflage. Gedurende de mobilisatie 1914/18 heb ik persoonlijk gedurende 4
1/2 jaar uitstekend een les gehad in de
praktijk van de versterkingskunst, zoowel in West Noord Brabant,
als later op Walcheren en op Zuid Beveland. Deze ervaring kwam mij
nu uitstekend te pas bij' het opleiden van mijne officieren en onderofficieren
tot leiders en uitvoerders van pionierwerkzaamheden. Pionieren wordt
in ons Leger in vredestijd onvoldoende beoefend. Bij een inspectie
door den toenmaligen O.L.Z., den Generaal L. H. Reynders en kort
daarop door den C.V., den Luitenant-generaal J. J. G. Baron van
Voorst tot Voorst, gelukte het mij toezeggingen te ontvangen voor
het aanschaffen van meer gereedschap als schoppen, kruiwagens en
kruiplanken, van meer hout, van meer schepen met zand en van tewerkstelling
van meer burgerarbeiders. Spoedig verrezen nu meer aarden gevechtsopstellingen,
zoowel in de breedte als in de diepte, zoowel in de Hoofdweerstandsstrook
als in de Voorpostenstrook. Maar nog was ik niet tevreden. Persoonlijk
gevoelde ik meer voor betonbouw. En herhaaldelijk had ik hierover
al met mijne chefs gesproken.
|